In de Weverijvoorbereiding wordt gedemonstreerd hoe van vezels, bijvoorbeeld schapenwol of katoenbollen, garen wordt gemaakt van een bepaalde dikte en sterkte, waarmee geweven kan worden. Dit gebeurt op, u raadt het al, werkende machines.
Door middel van een ingenieus systeem van
kaarden,
kammen,
borstelen, en
rekken worden vezels tot lange
lonten samengebracht. Deze worden op een
spinmachine tot dunne, sterke draden ineengedraaid. Vanaf de spinklossen worden de draden op een
spoelmachine op grotere, conische klossen gespoeld. Op elke klos zitten enkele kilometers garen.

Een andere bewerking die wordt getoond is het
twijnen, waarmee twee of meer draden in elkaar worden gedraaid om dikker en sterker garen te krijgen. Door draden van verschillende kleur te twijnen worden aparte kleureffecten verkregen.
Tot slot wordt gedemonstreerd hoe het
scheren van een
kettingboom, dit wil zeggen het op grote rollen wikkelen van de lengtedraden van het weefsel (de schering), in zijn werk gaat. Deze weefbomen worden gemonteerd in de weefgetouwen.